Anesthesie  
  Narcose
Narcose wordt ook wel slapen genoemd maar het zal duidelijk zijn dat
deze twee niet hetzelfde zijn. Gewoonlijk kan een mens in drie
toestanden zijn: waken, slapen of dromen. Narcose hoort daar niet bij
evenmin als bewusteloosheid. Narcose berust op twee pijlers:
pijnstilling en slaap. Daar wordt vaak spierverslapping aan toegevoegd.
Dit allemaal wordt bereikt door verschillende medicijnen. Bij het begin
van de narcose krijgt men gewoonlijk een erg sterk werkende pijnstiller
door een infuus gespoten, een sterk werkend "slaapmiddel" dat
bewusteloosheid veroorzaakt gedurende een minuut of tien en eventueel
een spierverslapper. Onmiddellijk daarna neemt de anesthesieploeg de
ademhaling over en wordt er door een kapje zuurstof gegeven waarbij
we door ritmisch in de ballon te knijpen de ademhaling nabootsen.


Lees verder
**split**

Daarna kan er een plastic buisje in de luchtpijp worden geschoven met
een opblaasbaar kussentje rondom zodat er geen contact meer is met
de buitenlucht. Door dit buisje kan een gasmengsel naar keuze worden
gegeven met bijvoorbeeld extra veel zuurstof en een narcosedamp die
ook bewusteloosheid veroorzaakt, net als het kortwerkende ingespoten
slaapmiddel. We kennen ook slaapmiddelen die door het infuus kunnen
worden bijgegeven. Zolang u deze middelen in het gasmengsel of door
het infuus krijgt toegediend blijft u onder narcose. Stoppen we met
toediening daarvan dan wordt u wakker.
We houden iemand dus onder narcose zolang als dat nodig is.
Het is dus niet zo dat we een tik uitdelen die een half uur of drie
kwartier narcose veroorzaakt. Wel is het zo dat we voor de
verschillende operaties een keuze hebben aan middelen die af en toe
of juist heel vaak moeten worden bijgegeven.


Lees verder
**split**

We kunnen daarmee de narcose op maat ontwerpen. Daarnaast kennen
we de regionale anesthesieën. Zo kunnen we door langs de zenuwen die
naar de arm of het been gaan een locaal verdovingsmiddel te spuiten de
arm respectievelijk het been verdoven. We zoeken dan de zenuw op
met een geïsoleerde naald met een blote metalen punt waardoor we een
heel zwak stroompje sturen dat overigens van een type is dat makkelijk
de zenuwen stimuleert die de spieren aansturen. Omdat het stroompje
zo zwak is (0,4 mA) zien we alleen reactie als de naaldpunt vlakbij de
zenuw is. Spuiten we op dat moment de verdovingsvloeistof dan komt
de verdovingsvloeistof vlakbij de zenuw.
Een andere methode, die erg bedrijfszeker is, is de ruggeprik.
De ruggegraat bestaat uit wervels die ieder zijn opgebouwd uit een
schijf van bot met aan de achterkant een boog.


Lees verder
**split**

Al die schijven op elkaar vormen een staaf, al die bogen vormen een
tunnel. In die tunnel hangt een zak die gemaakt is van hersenvlies en
die reikt tot iets in het heiligbeen. In die zak zit hersenvocht (liquor) en
daarin drijft weer het ruggemerg dat overigens niet verder reikt dan net
voorbij de onderste rib. Daaronder drijft een bundel zenuwen die ieder
op weg zijn naar hun eigen plek om uit de wervelkolom tevoorschijn
te komen. We noemen dat de paardestaart (cauda equina). Als we een
ruggeprik geven dan prikken we met een dunne naald (0,3 mm) met
een niet snijdende punt, zoals een stopnaald die de stof niet snijdt
maar splijt, tot in die zak met liquor en spuiten daar dan een
verdovingsmiddel in. We kennen meerdere soorten verdovingsmiddel
met een werkingsduur van een uur tot ruim vier uur.